affiche streekopbouwwerk Pajottenland, 1981 Eerste algemene publicatie over Samenlevingsopbouw in Vlaanderen in Ned. tijdschrift NIMO, 1971
1967 Samenlevingsopbouw: buurt- en opbouwwerk
Sociaal werk in de straat en in de streek
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste

Samenlevingsopbouw is sociaal werk t.a.v. collectieve achterstandssituaties. Zeker déze sector is in zijn ontwikkeling getekend door geëngageerde pioniers en gedreven onderzoekers.

Buurtwerk vertrok vanuit katholieke hoek. Voortrekkers, zoals pater Cuijle in Antwerpen, zochten na de oorlog aansluiting bij bewoners van stedelijke achterstandsbuurten.
In de jaren vijftig zijn er privé-initiatieven in o.a. Antwerpen, Gent en Leuven. Ze organiseren individuele hulp- en dienstverlening en groepsactiviteiten o.a. voor achtergestelde jongeren. In 1967 wordt de ‘Federatie Buurtwerk’ opgericht. Toen dit werk subsidiëring zocht, kreeg het een sociaal-cultureel etiket als ‘bijzondere vorm van volksontwikkeling’.
In de jaren zeventig dicteerde de tijdsgeest een andere aanpak: structureler, pluralistisch van inspiratie, minder charitatief. Dat leidde tot een nevenorganisatie: de Bond van Buurtopbouwwerk, expliciet verwijzend naar de opbouwwerkmethodiek die stilaan ingang vond. Ruggensteun leverde Alice Pals-Ghoos met een Vlaamse publicatie over community development (1968).

Ondertussen had ook het streekopbouwwerk gestalte gekregen, meer gericht op regio’s en beleidsmatiger van inslag. Pioniers waren Jan Hardeman en Jef Timmermans.
De vasthoudende Hardeman start in 1965/66, naar Nederlands voorbeeld, een activerende werking op om het Zuid-West-Vlaamse Heuvelland (Kemmel) uit de sociale en economische vergeethoek te halen.
Timmermans zoekt oplossingen voor Limburg. In 1969 start de ‘Vereniging voor Sociale Welzijnszorg en Samenlevingsopbouw’. Hij bouwt er een eigen spraakmakende methodiek uit: de ‘gedocumenteerde gesprekstafel’, waarmee hij lokale actoren uitdaagt om gezamenlijk hun schouders te zetten onder gerichte ontwikkelingsprojecten.
In diezelfde periode zoeken gemeentelijke intercommunales naar antwoorden voor achtergebleven gebieden in hun regio. Zo start in Halle-Vilvoorde het zgn. Haviland. Anderen zullen volgen.

Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig engageren jonge onderzoekers zich in dit werkgebied. Er is zowel een sociologische als een sociaal-pedagogische injectie merkbaar. Vanuit het buurtwerk geeft Fred Provoost via zijn Kansarmoedeatlas (1979) een cartografisch beeld van achterstandswijken in Vlaanderen. Werk dat nadien ruime navolging krijgt. Vanuit sociaal-pedagogische optiek wordt gezocht naar emancipatiemethodieken om armoedebestrijding en achterstandssituaties in buurt en streek creatief aan te pakken. Herman Baert, Luc Verbeke († 2009) en Danny Wildemeersch geven dat vanuit hun Leuvense uitvalsbasis vorm, in Leuven zelf (buurtwerk ’t Lampeke) en in de Rupelstreek.

Daarnaast lopen pogingen om deze, onderling verdeelde, sector te structureren. In 1977 schrijft cultuurminister Rika De Backer (CVP) een beleidsnota waarin drie types werden benoemd: a) territoriale samenlevingsopbouw: buurtwerk, gemeentelijk- en streekopbouwwerk, b) categoriaal opbouwwerk: doelgroepgericht en c) functioneel opbouwwerk: themagebonden. Daarbuiten liggen nog een hele reeks initiatieven zoals de maatschappijkritische ‘Wereldscholen’ van de Limburgse priester Jef Ulburghs (1970) die dicht bij deze sector komen, maar als dusdanig niet formeel erkend worden.

In 1981 schudt de liberale Cultuurminister Karel Poma de hele sector opvallend grondig door elkaar. Alle werkers werden ‘gepoold’ in provinciale en stedelijke organisaties, de zgn. (P)RISO’s, van waaruit tijdsgelimiteerde projecten konden worden opgezet. Er kwam één ondersteuningsinstituut: VIBOSO, ondertussen Samenlevingsopbouw Vlaanderen. Het buurtwerk voelde zich niet helemaal thuis in deze herstructurering en zocht verder naar eigen perspectieven (Basisschakels).

Op 26 juni 1991 kwam er een nieuw decreet, waarbij de vroegere inschaling in Cultuur werd overgeheveld naar Welzijn.
Ondertussen is de samenlevingsopbouw enigszins gestabiliseerd. De regionale organisaties zijn overeind gebleven, het ondersteuningsinstituut ook en daarnaast functioneert de Federatie Samenlevingsopbouw (FESO) als belangenorganisatie.

Auteur(s): Wim Verzelen,
Verder studeren
Literatuur
  • Carl D'Aes (1973), Bijzondere volksontwikkeling door buurtwerk in Vlaanderen. Ministerie van Nederlandse Cultuur, Brussel
  • Themanummer NIMO (1971), Samenlevingsopbouw in Vlaanderen NIMO, 5e jg., nr.6 met bijdragen van Jan Hardeman, Jef Timmersmans en Liliane Bollaerts.
  • Ignace Van Dingenen (1980), Buurtwerk. Analyse van de historiek, de huidige praktijk en het overheidsbeleid van het buurtwerk in Vlaanderen. Van Loghum Slaterus.
  • PDF document Marlies Van Mechelen (1982), Samenlevingsopbouw Heverlee: een territoriaal opbouwwerk Tijschrift voor sociologie, jg.3, nr.2
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste