1849 Edouard Ducpétiaux
Lokaal en internationaal op het voorplan
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste

Edouard Ducpétiaux (1804-1868) is een intrigerend figuur, maatgevend voor heel wat ontwikkelingen. Roddels helpen om zijn uiterst productief engagement in twee periodes te beschrijven. De eerste, met op de verre achtergrond zijn eerste vrouw, die hem verliet voor een Russische circuscarrière (!?) en de tweede, gekleurd door zijn tweede vrouw die hem vanaf 1842 in het vaarwater van het traditioneel sociaal katholicisme trok.

In die eerste periode was deze Brusselse jurist een overtuigd radicaal liberaal, beïnvloed door het saint simonisme en door de beweging van sociaal hygiënisten (Quételet e.a.). Daar lag de aanzet voor een bijzondere reeks van sociale enquêtes die hij produceerde m.b.t. de miserabele leefomstandigheden van de lagere bevolkingsgroepen. Als gemeenteraadslid te Brussel (1846) maakt hij zo een studie over de verbetering van de arbeiderswoningen en de gezondmaking van de arbeiderswijken, zich beroepend op Londense voorbeelden.

Na de onafhankelijkheid van België, waarin Ducpétiaux mee een rol speelde, werd hij de eerste inspecteur-generaal van het gevangeniswezen en weldadigheidsinstellingen, van 1831 tot 1860. Hij was de aanstichter van de individuele opsluiting in cellen, die hij verzachtte met het toelaten van patronage. Ducpétiaux stond ervoor open dat leden uit de gegoede burgerij toegang kregen tot gevangenen om hen moreel bij te sturen.
Ducpétiaux was ook actief op het internationale toneel en ontwikkelde een bijzonder brede kennis van en inzicht in het toenmalige penitentiaire landschap en de zorg voor zwakkeren (zie ook contacten met Edwin Chadwick). In 1856 was hij met Rogier één van de belangrijkste organisatoren van het Congrès International de Bienfaisance (Weldadigheid) te Brussel.

Maar zijn humanitaire inslag leidde hem vooral naar aandacht voor de ‘verwaarloosde jeugd’. Hij bepleitte een toen zeer baanbrekende differentiatie in doelgroepgerichte instellingen: voor de ronddwalende jeugd, de verwaarloosde jeugd, voor ‘morele’ wezen, en voor die jongeren waar begeleiding nuttig leek, met agrarische of industriële vorming, of vorming tot zeeman. Zo was hij de vader van de eerste ‘hervormingsschool’ in Ruislede (1849).
Toen had hij al in 1843 ‘De la condition physique et morale des jeunes ouvriers et des moyens de l’améliorer’ (over de morele en fysieke toestand van jonge arbeiders en hoe hun lot te verbeteren) gepubliceerd. Daarin bepleitte hij engagement van de overheid in de plaats van ‘de goede wil’ van fabriekseigenaren. De overheid zou het onderwijs moeten verplichten tot vijtien jaar en arbeid beneden de tien verbieden. Hij lanceerde tegelijkertijd ook de idee van arbeidsinspectie.

In de tweede periode zal Ducpétiaux een gematigder maatschappijbeeld hanteren. Zijn tweede vrouw Pauline Delehaye (1818-1880), dochter van een Gents burgemeester, was intensief betrokken bij het werk van de Dames de la Miséricorde (Dames van Barmhartigheid) en engageerde zich in het katholiek patronagewerk in Gent (1850) en Brussel (1858).
Zelf concentreert hij zich op deze aandacht voor morele en religieuze verheffing in publicaties: o.a. La question de la charité et des associations réligieuses en Belgique (1859).
In 1863, 1864 en 1867 worden de Congressen van Mechelen georganiseerd waar de katholieken antwoord zoeken op de dreigende sociale kwestie, zij het met enkel aandacht voor de morele en zedelijke ‘verwildering’ en niet voor de materiële problemen van diepe armoede en uitbuiting. Ducpétiaux is trekpaard en algemeen secretaris.

Hij was richtinggevend voor het vrijwillig sociaal werk van de 19de eeuw en met zijn aandacht voor (morele) verheffing één van de voorlopers van wat we nu sociaal(-cultureel) werk zouden noemen.

Datum laatste wijziging :11-12-2015
Auteur(s): Wim Verzelen,
Verder studeren
Literatuur
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste