1985 Jeugdwerk vervolgd
Consolidatie en verbreding jeugdwerk
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste

Jeugdwerk evolueerde langzaam naar een verzamelbegrip van verschillende soorten jeugdverenigingen. Oorspronkelijk bestond het jeugdwerk bijna alleen uit jeugd- en jongerenbewegingen, geworteld in een sterk verzuild systeem. De turbulenties van de jaren zestig en zeventig leidden enerzijds tot een sterke uitbreiding van het aantal jeugdwerkvormen en anderzijds tot een actualisering van het bewegingswerk. Daarbij speelde het overheidsbeleid een belangrijke rol door de (h)erkenning van nieuwe varianten (jaren zeventig en tachtig) en later (jaren negentig) door de ontwikkeling van een getrapt subsidiesysteem.

De gezamenlijke identiteit van het jeugdwerk onderscheidt zich van andere verenigingen en vrijetijdsvoorzieningen door een combinatie van eigenschappen, o.a. de beperking tot een jonge doelgroep (ongeveer tussen de 4 en 25 jaar). Ze worden in overvloedige mate gedragen door jonge vrijwilligers, besteden veel aandacht aan het samen jong zijn en het medebeheer van de jongeren. De meeste initiatieven zijn plaatselijk (zo’n 6.000), maar ook bovenlokaal bestaan er heel wat structuren. Die bieden vaak een ondersteunende (tweedelijns)ondersteuning voor de basis en zijn daartoe gedeeltelijk geprofessionaliseerd.

De toenemende variatie van het jeugdwerk begon met de jeugdhuizen, waar jongeren (vanaf 16 jaar) hun eigen stek verwierven en gemengd hun subculturele identiteiten konden uitbouwen (muziek, stijl, maatschappelijke acties…). Deze initiatieven, vaak vanwege volwassenen, ontgroeiden snel hun voogdij en evolueerden naar “vrijplaatsen”. Zeker in de jaren 70 boomden de jeugdhuizen, om daarna – vooral door commerciële equivalenten allerlei – in aantal sterk terug te lopen. Ze verkregen snel een “ministeriële” subsidie en mogelijkheid om een PV (permanent verantwoordelijke) aan te werven.

Daarnaast veroorzaakte de pedagogische kritiek op het conservatieve onderwijssysteem het ontstaan van honderden jeugd(muziek)ateliers, een duidelijk alternatief voor de (te) schools beoordeelde deeltijds kunstonderwijs. Creativiteit en spontaniteit van kinderen kregen alle kansen. Deze ateliers verminderden ook drastisch in aantal vanaf de jaren negentig, o.a. door de aanpassing van het onderwijssysteem.
De overgang van vakantie-initiatieven van de welzijnssector naar het jeugdwerk zorgde eveneens voor een verbreding. Ontstaan uit een medisch model (gezondheid, hygiëne), onder strakke controle van het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn (NWK), verhuisden dit toezicht en de subsidie in 1983 naar het Bestuur Jeugdvorming (Cultuur), als ruiloperatie, want in dezelfde beweging verdwenen de jeugdinformatiecentra naar welzijn (cfr. het opbouwwerk).
De aanhoudende sociaaleconomische crisis zette het “plezierige” van het jeugdwerk onder druk en belaagde de relevantie van een zuivere vrijetijdsbesteding. Daardoor ontstonden er steeds meer jeugdvoorzieningen voor “kansarme” jeugd en werkende jongeren, gericht op achtergestelde – vaak etnisch-cultureel diverse – doelgroepen. Deze verwierven snel een eigen subsidieruimte met kansen op professionele plaatselijke jeugdwerkers.
De jeugd- en jongerenbewegingen, sinds de jaren 70 in een diepe identiteitscrisis, vonden vanaf de jaren negentig een nieuw elan. Ze ontvoogden van de vroegere ideologische verbanden maar behielden complexloos heel wat van hun “oude” identiteit. Voor de jeugdbewegingen begon een nieuwe bloeiperiode, met toename van leden en vrijwilligers.

Rond dit alles ontwikkelde zich een omvattend overheidsbeleid. De Vlaamse overheid volgde alert de plaatselijke ontwikkelingen door nieuwe vormen via criteria te “ijken” en te subsidiëren (jeugdhuizen en –ateliers, vakantiespeelpleinwerk, kansarme jeugd, levensvorming). Toch lag de klemtoon vooral op de ondersteuning van het “landelijk” jeugdwerk: de nationale secretariaten, federaties (als bovenbouw), anderzijds (landelijke) jeugddiensten met een rechtstreeks aanbod voor kinderen, jongeren en (plaatselijke) jeugdwerkinitiatieven. Dit landelijk (soms regionaal) jeugdwerk organiseerde zich in levensbeschouwelijke koepels (katholiek, socialistisch, liberaal en pluralistisch). Ze vormden meteen de basis voor de Vlaamse Jeugdraad. Tegen het begin van de 21e eeuw maakten de levensbeschouwelijke koepels plaats voor het Steunpunt Jeugd en de Vlaamse Jeugdraad, in 2013 gefuseerd tot de Ambrassade.

Vanaf de jaren tachtig toonden ook de gemeenten (provincies) zich actief. Steeds meer jeugddiensten werken aan een gemeentelijk jeugdbeleid, met het jeugdwerk als bevoordeelde partner. De Vlaamse overheid reageerde met het decreet “gemeentelijk” jeugdbeleid. Vanaf 1995 veel meer subsidies voor een gemeentelijk jeugd(werk)beleidsplan, indien participatief opgebouwd. Verhoogde aandacht (en middelen) van overheden droegen zeker bij tot de bloei van het jeugdwerk. Tegelijkertijd ontstond ook “gemeentelijk” jeugdwerk, vooral speelpleinwerk, Grabbelpas en gemeentelijke jeugdcentra.
Tekst van prof.dr. Guy Redig

Publicatiedatum: 17-04-2013
Auteur(s): Guy Redig,
Verder studeren
Literatuur
Aanvullend materiaal
Links
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste