1988 Ouderenwerk
Van gepensioneerden naar participerende senioren
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste

Het ouderenwerk in Vlaanderen is nu een brede waaier van initiatieven en voorzieningen. Het startte kort na WO2  als verenigingswerk voor “gepensioneerden”, gegroepeerd in zogenaamde “bonden” binnen het toen sterk verzuilde landschap: op kop de KBG (Kristelijke Landsbond van Gepensioneerden), gevolgd door de Nationale Federatie van Socialistisch Gepensioneerden, de LBV (Liberale Beweging voor Volksontwikkeling) en de CRM (Club van Rustenden uit de Middengroepen). Deze verenigingen hadden trouwens hun (verre) wortels in jeugdbewegingen en sociaal-culturele verenigingen voor volwassenen.

In hun aanbod lag het accent vooral op gezellige ontmoeting (“mekaar warm houden rond de koffiekan”) en daarnaast, in afnemende orde, op ontspanning, vorming en belangenverdediging. Volgens onderzoek naar de leefsituatie van ouderen door het Centrum voor Gezins- en Bevolkingsstudiën (CGBS, Dooghe e.a., 1988) lag de participatie aan het verenigingsleven erg hoog: tot 52% nam maandelijks deel aan een activiteit. Bij een herhaling in 2003 (Jacobs e.a., 2004) bleek dit nog zo te zijn. De voornaamste conclusie was toen dubbel:

(1) De aanwezigheid van een grote groep jongere ouderen wekt de indruk dat zij model staan voor de ouderen in het algemeen. Al blijven ouderen steeds langer ‘jong’ en zelfredzaam, ook minder actief worden en zorgafhankelijkheid maken deel uit van het leven.
(2) In de voorbije 15 jaar heeft zich een paradigmawissel voorgedaan, van een deficitmodel naar een competentiemodel. Voorop staat het behoud en zelfs de verbetering van levenskwaliteit, en dit door de competente ouderen zelf.

In 1988 had men het over “De leefsituatie van bejaarden”, 15 jaar later luidde de titel “Op latere leeftijd: De leefsituatie van 55-plussers in Vlaanderen”. De “bejaarden” van 1988 waren thuiswonende mensen van boven de 65, terwijl men in 2003 sprak over “55-plus”. Een leeftijdsgroep met een breedte van minstens 40 jaar kan je moeilijk met één enkele term benoemen: “bejaard” is out, en alle andere termen – ouden van dagen, derde-vierde leeftijd, medioren, gepensioneerden, senioren - dekken de gedifferentieerde psychosociale werkelijkheid niet. Allicht dekt de officiële term “ouderen” de verscheidenheid nog het best, al voelen 55-64 jarigen zich helemaal niet oud.

In 2013 is trouwens het landschap van het ouderenwerk sterk verbreed. Naast het verenigingswerk, dat goed stand houdt, ontstonden vooreerst vanuit het OCMW de Dienstencentra, en daarna kwamen verschillende Seniorensportorganisaties, Vormingsorganisaties, Seniorenraden, Seniorenacademies, Verenigingen voor “allochtonen” e.a. die het aanbod verruimden en nieuwe doelgroepen aanspraken. Bovendien pasten de “bonden” zich aan, niet alleen door naamsverandering - zo werd KBG omgedoopt tot OKRA -, maar ook door een evolutie in de richting van meer vorming en maatschappelijke participatie.

Die veelheid vroeg ook om bundeling van krachten: in 1993 werd het OOK (Ouderen Overleg Komitee) opgericht als overlegplatform van ouderenorganisaties. Het OOK ging met het beleid in gesprek, en organiseerde aanvankelijk bijeenkomsten zoals het Ouderenparlement, daarna  themadagen i.v.m. de jaarlijkse Ouderenweek. Pas elf jaar later keurde het Vlaamse parlement het decreet betreffende een inclusief Vlaams ouderenbeleid en de beleidsparticipatie van ouderen goed. In het kader van dat decreet moeten gemeenten voortaan een jaarlijks ouderenbeleidsplan opstellen terwijl nog maar één op de zes gemeenten een ouderenconsulent heeft. In 2005 kreeg het OOK het statuut van Vlaamse Ouderenraad met adviesbevoegdheid over alle aspecten van het ouderenbeleid. Deze Raad telt in 2013 in totaal 29 lidorganisaties.

Sinds de jaren 80 is ook de wetenschappelijke belangstelling voor ouderenwerk duidelijk toegenomen. Getuige daarvan diverse colloquia, onderzoekingen en de opkomst van een specifieke discipline: de “gerontagogiek” of de studie van ouderenvorming (Messelis & Geerts, 2002). En de sociale, culturele en maatschappelijke participatie van 65-plussers blijft, volgens recent onderzoek van Verté e.a. verbazingwekkend hoog (Verté e.a. 2012)
Tekst van prof.em.dr. Walter Leirman.

Datum laatste wijziging :14-10-2013
Auteur(s): Walter Leirman,
Verder studeren
  • PDF document W. Leirman, G. Redig, W. Verzelen, L. Vos (2013), SCAN VAN HET SOCIAAL-CULTUREEL WERK. Dit essay behandelt de samenhang tussen alle aparte pagina's
  • Cockx F, De Vriendt J. (eds.) (2005), Sociaal-cultureel werk van, voor en met ouderen, Brussel, Socius, Cahier Wisselwerk
Literatuur
  • Hancock B. (1994), Maatschappelijk werk en de zorg voor ouderen (Eng.: Social Work with Older People, Pearson, 1990),   Gorcum, 1994 (Bew. Door Jan Van Dijk en Manja Lopez Cardoso)
  • Leirman W. (2000), Van de zijlijn naar het centrum van het speelveld: Hinderpalen en stimulansen tot leren van en door ouderen in Een samenleving voor alle leeftijden: Referatenboek van de Slotconferentie Internationaal Jaar van de Ouderen. Brussel, Min. Van de Vlaamse Gemeenschap.
  • Messelis E., Geerts C., (2002), Gerontagogiek geschetst in Elias W. & Vanwing T. Vizier op Agogiek. Leuven-Apeldoorn, Garant, p. 113-125.
  • Messelis E., Van Assel A., (2012), Leren niet verleren. Voor wie ouderen wil ondersteunen bij leren.  Antwerpen, Garant.
Links
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste