1967 Lokaal beleid
(jeugd)cultuurbeleid en -participatie, lokaal geënt
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste

Vanaf 1967 werden in Vlaamse gemeenten, zgn. cultuurraden geïnstalleerd én jeugdraden. Dat waren adviesorganen voor de lokale overheid, pluralistisch samengesteld op grond van de brede waaier aan verzuilde gemeentelijke verenigingen, van sport- over recreatie- tot cultuur. Hier ligt de achtergrond voor het opbouwen van een lokaal cultuurbeleid en lokaal jeugdbeleid.

De context en het vervolg? Bij de start van België was er maar één echte overheid, de Belgische. Die regisseerde op strakke wijze de “ondergeschikte besturen”, de gemeenten, arrondissementen en provincies, tot gedweeë agenten. Deze topdown aanpak veranderde grondig de tweede helft van de 20e eeuw. De natiestaat verloor systematisch haar monopolie op macht en beleidsvoering, in twee richtingen. De Europese Unie groeide gestaag tot een overheid met uitgedijde macht. Ook voltrok zich een decentralisatie, via achtereenvolgende staatshervormingen. Deze zijn niet voleindigd.

De creatie van de drie gemeenschappen en drie gewesten begon met culturele autonomie. Het lokaal cultuur- en jeugdwerkbeleid evolueerden samen met de Vlaamse Gemeenschap (bevoegdheid cultuur etc.) en Gewest (bevoegdheid op gemeenten en provincies). Met de grondwetsherziening van 1970 kwam er een minister voor Nederlandstalige cultuur en een Cultuurraad van de Nederlandse Taalgemeenschap. Vanaf 1981 werkte een Vlaamse Raad en Regering met daarin een minister van Cultuur (ook voor jeugdwerk). Vanaf 1993 bestond een rechtstreeks verkozen Vlaams Parlement. In 2001 verwierf het Vlaams Gewest de bevoegdheid voor gemeenten en provincies.

De autonomie voor Vlaanderen begon met cultuur en leidde meteen naar een beleid met steun voor culturele initiatieven allerlei, ook plaatselijke. Daarbij speelde een expliciete bekommernis voor de cultuurparticipatie (en educatie) van zoveel mogelijk burgers. Met een KB uit 1965, later vervangen en uitgebreid door een KB uit 1973, groeide een beleid dat gemeentebesturen met subsidies verleidde om te investeren in cultuurcentra. Afhankelijk van de erkenning (o.a. naar grootte) volgde een loonsubsidie voor de cultuurfunctionaris, het begin van de ambtelijke cultuurprofessionalisering. Vele gemeenten speelden hierop in. De toewijzing van de subsidie was niet aan strakke criteria verbonden. Een “politieke connectie” gaf de doorslag.

Parallel groeide het bibliotheekbeleid. In 1862 riep de Belgische regering de gemeentebesturen op om met een bibliotheek te beginnen. In 1921 volgde de Wet Destrée. Zo ontstond een omvangrijk netwerk van plaatselijke bibliotheken, veelal privaat en ideologisch verzuild. Het decreet (1978) op het “Nederlandstalig Openbaar Bibliotheekwerk” betekende een ingrijpende wijziging. Gemeentebesturen (behalve de kleinste) werden quasi verplicht tot een Plaatselijke Openbare Bibliotheek in ruil voor personeels- en werkingssubsidies. De vele particuliere bibliotheken verdwenen, aankondiging van een verdere ontzuiling.

Dit beleid plaatste zich uiteraard binnen het Cultuurpact. Daardoor kregen gemeentelijke adviesraden een wettelijke omkadering en geraakten meer verspreid. Vanaf de jaren negentig konden er ook individuele leden zetelen.

In de jaren 70 en 80 speelde het sterk groeiende Vlaamse beleid een erg centralistische rol. De decreten m.b.t. bibliotheken en cultuurcentra gaven strakke richtlijnen en beoogden een kwaliteitsverbetering. De schaalvergroting na de fusieoperatie (1976) gaf de lokale besturen meer bestuurlijk vermogen.

Vanaf de jaren 80 kwam de klassieke voogdijverhouding (lagere - hogere besturen) onder druk. De gemeentebesturen presenteerden zich als partners eerder dan als ondergeschikte uitvoerders. Het decreet op het gemeentelijk jeugdwerkbeleid (vanaf 1995) illustreerde dit. De Vlaamse overheid verstrekte geoormerkte subsidies, op voorwaarde van een gemeentelijk jeugdwerkbeleidsplan en intens participatieproces. Meteen een drastische wijziging, want Vlaanderen stopte met het subsidiëren van plaatselijk jeugdwerk. Het gemeentebestuur als beleidspartner ontving subsidies mits respect voor de regels van het spel. In 2012 volgde het decreet lokaal cultuurbeleid, met subsidies voor cultuurcentra, bibliotheken, het loon van een cultuurbeleidscoördinator en beperkte extra financiering. Door gebrek aan middelen konden niet alle gemeenten instappen, het aantal groeide langzaam. Het decreet lokaal sportbeleid (2006) voltooide deze aanpak.

Ondertussen vergrootte de Vlaamse overheid het aantal beleidsopdrachten voor gemeentebesturen. Deze klaagden steeds meer over ondraaglijke administratieve verplichtingen, met het “planlastendecreet” (2011) als gevolg. Daarop werden ze vrijgesteld van allerlei sectorale plannen die ze konden verzamelen in één algemeen plan. De geoormerkte subsidies voor cultuur, jeugd en sport bleven wel behouden.
Tekst van prof.dr. Guy Redig

Publicatiedatum: 21-03-2013
Auteur(s): Guy Redig,
Verder studeren
  • PDF document W. Leirman, G. Redig, W. Verzelen, L. Vos (2013), SCAN VAN HET SOCIAAL-CULTUREEL WERK. Dit essay behandelt de samenhang tussen alle aparte pagina's
  • Guy Redig (2013), Het gemeentelijk cultuur-, jeugd- en sportbeleid in cijfers, in Gids sociaal-cultureel en educatief werk, afl. 67, februari 2013, p. 27-58, Mechelen: Kluwer.
  • Externe link Vlaams minister G. Bourgeois (2011), Planlastendecreet 
Literatuur
  • PDF document Geert Ruebens en Tom Van Hoye (2011), De geesten zijn gerijpt. Tien jaar decreet lokaal cultuurbeleid in META 2011/6, pp.15-18
Links
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste