1853 Amateurkunsten
Kunst verheft en veredelt?
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste

In 1853 richtte Jacob Kats het Toneel der Volksbeschaving op in Brussel en bereikte een kleine groep. Echt “liefhebberstoneel” volgde zoals de vermaarde Multatulikring (1877) en koren, fanfares...Snel werd dit een breed en blijvend spoor in het sociaal-cultureel werk.
In 2012 beoefent één op drie Vlamingen tussen 14 en 75 jaar amateurkunst: theater, dans, beeld (film, fotografie, video(beeld)), beeldende kunst (schilder- en beeldhouwkunst en aanverwanten), muziek (instrumentale en vocale muziek, lichte muziek, volksmuziek en jazz) of letteren. Elk van deze (deel)disciplines wordt organisatorisch ondersteund met middelen van de Vlaamse overheid. Het sectoraal steunpunt is het Forum voor Amateurkunsten.

De term amateurkunsten slaat op elke kunstvorm die “aan iedere burger de kans biedt om zich via kunstbeoefening en -beleving te ontplooien en zijn potentiële creatieve vermogens te ontwikkelen op vrijwillige basis en zonder beroepsmatige doeleinden”. Alle vormen van creatieve hobby’s, zowel in groepsverband als individueel, worden er dus door gevat. Amateurkunsten zijn belangrijk in functie van cultureel burgerschap en sociale cohesie.

Toneel, dans en muziek zijn al eeuwenlang deel van het dagelijkse leven. Tot in de 17e en 18e eeuw is er geen tegenstelling tussen de professionele en de amateurkunstenaar. Onder invloed van de Verlichting gaat men de kunstbeleving in de salons en de volkse kunst anders bekijken. Vanaf midden 19e eeuw richt de gegoede burgerij “sociëteiten” op. Daaruit groeien tal van amateurgezelschappen. Vanaf 1880 komen er amateurkunstverenigingen voor arbeiders tot stand, op initiatief van burgers en geestelijken die het volk willen “verheffen”.

Een tweede fase loopt gelijk met de verzuiling van de samenleving (1880-1990). Tal van private non-profitorganisaties worden opgericht, vaak met financiële steun van de overheid (“liberté subsidiée”). Ze brengen mensen met dezelfde politieke of geloofsovertuiging samen. Toneelgroepen, harmonies en fanfares groeien uit tot propaganda-instrumenten in de opbouw van de ideologische zuilen. Na verloop van tijd krijgen zowat alle muziekverenigingen, koren, foto- en kinokringen en volkskunstbewegingen een uitgesproken politieke kleur. De overheidssteun blijft beperkt tot een kader dat teruggaat op Koninklijke Besluiten uit 1921 en 1925. In 1967 komt er een KB dat het Nederlandstalig Volksontwikkelingswerk moet stimuleren.
Het decreet op de amateuristische kunstbeoefening van 1980 legt het accent op het verenigingsverband en op dienstverlenende organisatievormen. De bestaande structuren krijgen erkenning, met weinig ruimte voor vernieuwing. De koepelorganisaties in de amateurkunstensector komen vooral tot stand omdat de overheid gesprekpartners zoekt en het veld wil ordenen. De federaties gaan daarop “creatief” om met het aantal aangesloten groepen om zo meer subsidies binnen te halen. Daardoor dringt zich in 1991 een verstrenging van de spelregels op.

De muziek- en toneelverenigingen ontzuilen en krijgen af te rekenen met nieuwe “concurrenten”, zoals de popmuziek en meer individueel gerichte disciplines als fotografie en schilderen. Amateurkunstenaars kijken naar de aard en de kwaliteit van de diensten van hun organisaties, eerder dan naar de ideologische kleur. De professionalisering neemt toe bij de lokale vrijwilligers (dirigenten, regisseurs, bestuursleden). Tegelijk legt de overheid criteria en normen op die nauwgezet worden gecontroleerd.

In 2000 (met aanpassing in 2006) wordt een volgende stap gezet. Een nieuw decreet wil een open netwerk tot stand brengen, gericht op een maximale participatie, met aandacht voor kwaliteitsbevordering en het stimuleren van diversiteit en spreiding van het aanbod. Ook de individuele amateurkunstenaar krijgt nu aandacht. In ruil voor een hogere subsidiëring worden de 27 amateurkunstenorganisaties teruggebracht tot negen, één per discipline. Nieuwe disciplines zijn popmuziek, videokunst, schilder- en beeldhouwkunst. Tegelijk komt er een ander sectoraal steunpunt (Forum voor Amateurkunsten).

Anno 2013 heeft de amateurkunstensector een sterke positie verworven binnen het socio-culturele veld. De relatie met de professionele kunstensector en met het deeltijds kunstonderwijs is verbeterd. Het opheffen van de verzuiling resulteert in een grote aantrekkingskracht, met beoefenaars die zich onder meer tijdens de jaarlijkse Week van de Amateurkunsten in al hun diversiteit laten zien. De term “amateurkunsten” staat nu symbool voor de toegenomen waardering in Vlaanderen voor de kwaliteit en kwantiteit van een sector die tegelijk terugblikt op een eeuwenoude traditie én op een continue aanpassing aan de veranderende samenleving.

Publicatiedatum: 28-06-2013
Datum laatste wijziging :18-03-2016
Auteur(s): Filip Santy,
Extra

Uit de biografie van Walschap door Jos Borré, p.19 verwijzend naar Londerzeel: "Het verenigingsleven kwam vlot op gang. Uit de muziekvereniging waarvan ook Gerards grootvader Jozef Walschap lid was, ontstond in 1878 de fanfare St. Cecilia. Zij verwelkomde koning Leopold II met de Brabanconne bij zijn bezoek in 1890. De fanfare bracht de zangkring Nut en Vermaak voort en die bleek op zijn beurt de voedingsbodem voor het amateurtoneelgezelschap De Blauwvoet (1901), tijdens de Eerste Wereldoorlog omgedoopt tot De Winterbloem. Op 1 november 1913 werd de openbare bibliotheek van Sint Jozef officieel opgericht."

Verder studeren
Literatuur
  • Dirk Vermeulen (1982), Geschiedenis van het sociaal-cultureel werk met volwassenen, in Gids Sociaal-Cultureel Werk, 1982
  • Luk Verschueren (2001), Nieuwe kansen voor de Amateurkunsten bij de start van de 21e eeuw, in Gids sociaal-cultureel en educatief werk, afl. 32.
  • Elisabeth Bruyneel, Robbe Herreman, Andreas Stynen, Staf Vos, (2012), Populaire muziekcultuur in Vlaams-Brabant sinds 1880, Leuven.
Aanvullend materiaal
Links
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste