Albert De Clerck, staatssecr. Ned. Cultuur 1965-1966 Renaat Van Elsande, Minister van Cultuur - diverse periodes
Frans Van Mechelen (1968-1972) Jos Chabert, van 26.1.1973 tot 19.1.1974 Minister van Nederlandse Cultuur en Vlaamse zaken Rika De Backer-Van Ocken, 1974-1978 Vic Anciaux, Staatssecretaris voor Nederlandse Cultuur 1978 Karel Poma, Vlaams minister van Cultuur, 1981-1985 Patrick Dewael, Minister van Cultuur, 1985-1992 Hugo Weckx, 1992-1995 Luc Martens, Minister van Cultuur 1995-1999 Bert Anciaux - minister van Cultuur 1999-2002 en 2004-2009 Paul Van Grembergen, Minister van Cultuur en Jeugd 2002-2004 Jok Schauvliege, Minister van Cultuur, 2009-2014
1992 Terugblik
Evolutie motieven en doelstellingen overheidsondersteuning.
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste

Moeten overheden een cultuurbeleid voeren, of het overlaten aan vrij(willigers)initiatief of aan de “markt”? In België groeide het antwoord traag.
Progressief-liberalen en socialisten ijverden voor openbaar initiatief. Maar er waren ook tegenkrachten. Het katholieke gezag zag de eigen waarden en macht bedreigd. Het compromis werd: “liberté subsidiée” : de overheid ondersteunt privé-initiatief maar onthoudt zich inhoudelijk. En eigen overheidsinitiatief blijft beperkt.
Gaandeweg evolueerde dat echter naar een stimulerend beleid m.b.t. doelgroepen, thema’s en methoden. Maar recent is er krachtige tegenwind uit neoliberale hoek: “subsidieer de klant, niét de organisatie”, tégen bevoogding van het individu, tégen de hoge kost van de verzorgingsstaat!

De arbeiders- en vrouwenbewegingen, de Vlaamse beweging, de Boerenbond, de katholieke kerk speelden een grote rol als mede-actoren van het cultuurbeleid. Zowat de hele 20e eeuw ingebed in de verzuiling. Vanaf de jaren 70 ontpopte de SCW-sector zelf zich als een mondige gesprekspartner.

De motieven en doelstellingen van een cultuurbeleid zijn heel divers, balanceren tussen zorg om disciplinering/emancipatiestreven en wisselen naargelang tijd, context, machtsverhoudingen, ethische evoluties… ook de zorg voor het SCW als instrument van socialisering, recrutering en moblilisering in het belang van de eigen zuil is niet onbelangrijk. Volg mee het overzicht!

Een bezorgdheid over de bevoogding van de “massa” leefde sterk bij de progressief-liberalen van de 19e eeuw. Van de overheid werd ondersteuning verwacht van elementaire en van algemene vorming en kritisch denken. De wetgever voorzag adultenscholen (wet 1842) en stimuleerde gemeentelijke bibliotheken (1862).
“Volksopvoeding” en ondersteuning van zinvolle vrijetijdsbesteding (jaren 30) wonnen aan belang. In dezelfde traditie: de zorg voor “culturele competentie” en verdieping als stimulans tot individuele autonomie en persoonlijke keuzes (B. Anciaux).

De vaststelling van ongelijke kansen op “cultuurparticipatie” was en is een ander belangrijk motief. Aanvankelijk was er vooral oog voor de arbeidersklasse. Later werd men specifieker, met oog voor “doelgroepen” die om financiële of sociale redenen minder participeren: vrouwen, mindervaliden, mensen in kansarmoede, mensen van etnisch-cultureel “andere” afkomst…. “Democratisering van cultuur”, participatie werden belangrijke doelstellingen.
Door volwaardige vertegenwoordiging van de arbeidersklasse in het parlement (1919) trad de overheid voluit in de socio-culturele sfeer: ondersteuning lokale bibliotheken (1921), subsidiëring “naschoolse werken” (1921), Hoge Raad voor Volksopvoeding (1929).
Recenter voorbeeld: het participatiedecreet (2008) en het belang dat de overheid hecht aan participatieonderzoek en aan registratie van deelnemersgegevens door de organisaties. Zorg voor gelijkheid van kansen voor alle ideologische en filosofische strekkingen leidde tot het cultuurpact (1973, 1974).

Vlaamse (culturele) ontvoogding is een belangrijke constante beleidsambitie gebleken. Erkenning van het Nederlands, een onderstaatssecretaris voor Nederlandse Cultuur (R. Van Elslande, 1960), “culturele autonomie” in 1970: belangrijke stappen. Gevolgd door aanzienlijke overheidsinvesteringen, zie de culturele centra in en rond Brussel.

Na WO2 groeit de zorg voor permanente vorming. De Unesco (vanaf 1949), de OESO, Europa stimuleren dit. Met focus op integratie, “activering” en bijblijven op de arbeidsmarkt. En natuurlijk ook op de E-cultuur.
Ook bezorgdheid over de economische ontwikkeling kan de overheid stimuleren tot cultuurbeleid. Het koesteren van kennisinstellingen, ondernemers en kunstenaars zou bijdragen tot economische groei. Het beleid van J. Schauvliege wordt hierdoor getekend.

Vrees voor sociale segregatie, afkalving gemeenschapszin, individualisering resulteerde in doelstellingen als “sociale integratie”, “inzet in de samenleving”, “gemeenschapsvorming” vooral vanaf het begin van de 21e eeuw. Onder B. Anciaux werd daarvoor ingezet: diversiteitsbeleid, bijzondere aandacht voor sociaal-cultureel werk voor etnisch-culturele minderheden, aandacht voor wijk, dorp en stad.

Bezorgdheid groeide over versnippering van het werkveld, weinig samenhang tussen de beleidsdomeinen inzake kunsten, SCW en jeugdwerk, té bureaucratische beleidsvoering, beperkte kwaliteitszorg…. Kwaliteit werd vanaf 1999 een expliciet doel.
In 1992 roerde de sector zich nog met een stevig onderbouwd project: Nieuwe uitdagingen.

Kaderdecreten brachten daarna meer samenhang: decreet lokaal cultuurbeleid (2001), sociaal-cultureel volwassenenwerk (2003), kunstendecreet (2004). Het beleid vroeg om meerjarenplannen, werkte met specifiek subsidiëring (enveloppefinanciering). Evaluatie- en visitatieprocedures vervingen overheidscontrole en inspecties. Wetenschappelijk onderzoek wordt nu ingezet zowel bij de beleidsvoorbereiding als -evaluatie. Pluralistische belangenorganisaties en ondersteunende sectorale steunpunten vervangen verzuilde belangenorganisaties (“koepels”). Meer participatieve beleidsvoorbereiding legt meer verantwoordelijkheid bij het werkveld dan toen het alleen nog adviseerde.

Publicatiedatum: 27-05-2013
Auteur(s): Ward Govaerts,
Verder studeren
Literatuur
  • Dirk Vermeulen (1985), De sociaal-culturele sector : een studie van de verzuiling, de professionalisering en het overheidsbeleid. Leuven, Helion
  • PDF document B.B.T.K. (Bond van bedienden, technici en kaderleden - ABVV) en C.C.O.D.(Openbare Diensten)/ LBC (1980), Aktiedag Sociaal-kulturele werkers (pamflet bij betoging oktober 1980) 
  • Jon Goubin (1994), Werken aan uitdagingen: VCVO-project Nieuwe Uitdagingen voor het Sociaal-Cultureel Werk.  Vlaams Centrum voor Volksontwikkeling vzw, Brussel
  • Maria De Bie (1992), Commentaar bij de basistekst: Het overheidsbeleid uitgedaagd door het sociaal-cultureel werk of omgekeerd (D. Van Damme) U Gent
    V.C.V.O.-project nieuwe uitdagingen voor het sociaal-cultureel werk. In Sociaal-cultureel werk en overheidsbeleid vandaag 1. p.89-93
    ed. D. Wildemeersch en J. Goubin
  • PDF document Danny Wildemeersch (1992), De kern van het sociaal-cultureel vormingswerk. Besluit uit Het vormingswerk uitgedaagd. Tussentijds verslag van VCVO-project Nieuwe Uitdagingen voor het Sociaal-Cultureel Werk, p.133-149
Links
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste