1966 Samenlevingsopbouw gestart
Van volksontwikkeling naar welzijnswerk
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste

In het voorspoedige sociaaleconomische klimaat van de jaren zestig van vorige eeuw komen tot dan toe onderbelichte sociale problemen bovendrijven: bepaalde regio’s blijven economisch achter, stedelijke volkswijken verpauperen, een deel van de bevolking leeft in armoede. Tezelfdertijd ontluikt de participatiebeweging: het streven naar meer zeggenschap van onderop. Pioniers maken kennis met het maatschappelijk opbouwwerk in Nederland, met werkvormen die bewoners, rechtstreeks of via hun verenigingen en belangengroepen, actief betrekken bij de ontwikkeling van hun buurt, stad of streek. Via die weg komen ze ook de Angelsaksische vakliteratuur op het spoor over Community Development, Community Organization en Social Planning.

In de beginperiode groepeert het opbouwwerk of de samenlevingsopbouw in Vlaanderen zeer uiteenlopende initiatieven. We onderscheiden een viertal werkvormen. Eerst is er buurtwerk, dat voortbouwt op het eerder ontstane sociale werk van religieuzen in oude stadsbuurten. Beginnende professionalisering leidt eind jaren 60, begin jaren 70 tot nieuwe accenten. Buurtwerk evolueert tot buurtopbouwwerk en komt op voor een sociaal verantwoorde stadsvernieuwing. Via een zogenaamde integrale aanpak, met deskundige hulp, educatieve activiteiten en sociale actie als voornaamste ingrediënten, wil het een eigen bijdrage leveren aan de bestrijding van kansarmoede.

Een tweede werkvorm is het territoriaal opbouwwerk. Opbouwwerk Heuvelland, met Jan Hardeman als pionier, vormt het prototype van opbouwwerk in economisch achtergebleven (meestal landelijke) regio’s. De economische reconversie van de streek moet samengaan met mentaliteitsverandering bij en zelfwerkzaamheid van de bevolking, zo luidt het devies. In Limburg start Jef Timmermans met het Limburgs Instituut voor Samenlevingsopbouw (LISO). Onderzoek voedt het overleg met lokale en regionale verantwoordelijken aan gedocumenteerde gesprekstafels en inspireert gerichte ontwikkelingsinitiatieven. Enkele lokale opbouwwerkinstellingen focussen op de inspraak van burgers in het gemeentelijk beleid. Of ze sluiten aan bij de prille nieuwe sociale bewegingen, zoals de milieubeweging en de derdewereldbeweging, voeren een radicaler betoog en roepen op tot sociale actie.

Bij het categoraal opbouwwerk, de derde werkvorm, vinden initiatieven onderdak voor specifieke doelgroepen zoals migranten, woonwagenbewoners, thuislozen en homofielen. Nieuw is dat opvang en hulpverlening gecombineerd worden met sensibilisatiecampagnes om de eenzijdige beeldvorming over doelgroepen te doorbreken en de overheid aan te zetten tot een op integratie gericht beleid.

Steeds nieuwe voorzieningen maken van de welzijnszorg een onoverzichtelijk lappendeken. Onder de noemer functioneel opbouwwerk, een vierde werkvorm binnen de toenmalige samenlevingsopbouw, geven welzijnswerkers gestalte aan stedelijke en regionale welzijnsraden. Ze stimuleren samenwerking en coördinatie in het verkokerde en verzuilde landschap van de welzijnszorg. Halverwege de jaren 70 worden de eerste systematische sociale kaarten en welzijnsgidsen gedrukt.

Alle genoemde werkvormen en hun respectieve federaties vinden een begin van erkenning en subsidiëring bij het Ministerie van Cultuur, Dienst Volksontwikkeling. Dat ministerie voert in 1983 een herstructurering van de samenlevingsopbouw door. Een scherper omlijnde opdracht, een nieuwe methodische aanpak en een organisatorische schaalvergroting, vormen er de essentie van. Resultaatgericht opbouwwerk moet concrete oplossingen nastreven voor knelpunten in de woon- en leefomgeving, met participatie van de bevolking weliswaar. Dat kan het best via tijdelijke projecten. De bestaande, veelal kleinschalige organisaties gaan op in grootstedelijke (RISO’s) en provinciale (PRISO’s) instellingen. Op landelijk niveau zorgt het Vlaams Instituut ter Bevordering en Ondersteuning van de Samenlevingsopbouw (VIBOSO, inmiddels herdoopt tot Samenlevingsopbouw Vlaanderen) voor ondersteuning. Het al bestaande Centrum voor methodiekontwikkeling (CEMOSO) wordt erin geïntegreerd.

Een paar decennia lang gedijt het opbouwwerk in de brede bedding van het sociaal-cultureel werk. Maar naar aanleiding van de herstructurering worden het categoraal en het functioneel opbouwwerk overgeheveld naar het beleidsdomein Welzijn. Het niet-projectmatige werk in buurthuizen valt eerst zonder subsidiëring om eind jaren 80 middelen te putten uit de Fondsen voor armoedebestrijding. In de tweede helft van de jaren 80 wordt de samenlevingsopbouw in zijn geheel bij het Ministerie van Welzijn ondergebracht, eerst administratief (1985), later ook politiek (1988). In 1991 volgt het decreet Maatschappelijk Opbouwwerk dat de herstructurering consolideert en vooral de rol van de samenlevingsopbouw in de (kans)armoedebestrijding beklemtoont.

De aanvankelijke mobilisatie voor burgerparticipatie aan allerlei vernieuwende initiatieven in de lokale samenleving wordt bijgevolg omgebogen tot een projectmatige aanpak van sociale deprivatie.

Publicatiedatum: 15-05-2013
Datum laatste wijziging :18-03-2016
Auteur(s): André Desmet,
Verder studeren
Literatuur
Aanvullend materiaal
Links
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste