1998 Het 8-fasenmodel
Professionalisering en methodisch werken in de opvang
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste
Tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw draaiden instellingen in de maatschappelijke opvang op een beperkt aantal medewerkers. Die waren meestal laag betaald en werkten vaak zonder speciale opleiding. Vanaf die tijd is daarin echter geleidelijk verandering gekomen en werd de sector steeds meer geprofessionaliseerd (zie: 1981 IFI-operatie) – een proces dat de laatste jaren als gevolg van het Plan van Aanpak Maatschappelijke Opvang in een stroomversnelling is gekomen.

De achtergrond daarvan is dat de samenleving meer belang is gaan hechten aan het voorkomen van dak- en thuisloosheid en het tegengaan van overlast. Langzaam maar zeker werden de financiële mogelijkheden van de opvangsector verder verruimd, waarbij sinds een paar jaar steeds meer werkzaamheden gefinancierd konden worden uit de AWBZ. Niet alleen is daardoor het aantal opvangvoorzieningen fors uitgebreid, ook kon er meer en beter opgeleid personeel worden aangesteld.
Zo is de laatste drie decennia de professionalisering in de maatschappelijke opvang goed op gang gekomen, met steeds meer aandacht voor systematisch en planmatig professioneel handelen. In een rapport van Movisie uit 2008 over de effectiviteit van methoden worden achttien methodieken en interventies beschreven die de afgelopen jaren in de opvang zijn geïntroduceerd en regelmatig worden gebruikt. Van al deze methodieken is het 8-fasenmodel verreweg het bekendst en meest gebruikt.

De eerste versie van dit 8-fasenmodel is in 1998 door twee SPH-studenten (Mariska Haasnoot en Petra van Leeuwen) beschreven in het kader van hun afstudeeropdracht Methodisch Begeleiden in sociaal pension De Rosaburgh in Amsterdam. Bestaande methodieken uit andere sectoren sloten niet aan op de praktische werkwijze in de maatschappelijke opvang en daarom ontwikkelden zij deze laagdrempelige en planmatige werkwijze. Voor de publicatie ervan ontvingen zij een jaar later de SPH-scriptieprijs. Andere instellingen toonden interesse voor deze aanpak en dat was voor het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn (NIZW) – in 2007 opgegaan in Movisie – aanleiding om het model verder te ontwikkelen.
Sinds 2004 wordt het 8-fasenmodel in de opvang breed toegepast. Inmiddels werkt driekwart van alle instellingen met dit model, dat acht fasen onderscheidt in het individuele begeleidingsproces. Elke fase kent specifieke doelen, werkwijzen, instrumenten en randvoorwaarden. In elk van deze fasen staan acht leefgebieden centraal. Het werken met deze algemene leefgebieden – huisvesting, financiën, sociaal functioneren, psychisch functioneren, zingeving, lichamelijk functioneren, praktisch functioneren en dagbesteding – is een praktische vertaling van de integrale, holistische mensvisie die aan het model ten grondslag ligt.

Door zijn grote bekendheid binnen de sector en de waardering voor zijn bruikbaarheid is het 8-fasenmodel symbool geworden van professionalisering van de maatschappelijke opvang. Maar die ontwikkeling staat in zeker opzicht nog in de kinderschoenen. Nog in 2003 constateerde de het ministerie van VWS een grote kennisleemte op dit punt, en een paar jaar later, in 2006, stelde de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, een adviesraad van de regering over maatschappelijke vraagstukken, vast dat in de opvang nog teveel interventies plaatsvinden op gevoel en op ideologische gronden en nog te weinig gebaseerd op bewezen methodieken.
Er wordt echter hard gewerkt om daar verandering in te brengen. Overheid, sector en academische wereld hebben de handen ineengeslagen om praktijkkennis en deskundigheid onderling uit te wisselen, te onderzoeken en te verbeteren. Dit krijgt gestalte in de vorm van kenniscentra. Twee recente voorbeelden daarvan zijn de Academische Werkplaats Opvang en OGGZ (2007), een samenwerkingsverband tussen de Radboud Universiteit Nijmegen en een twintigtal organisaties in de maatschappelijke opvang en vrouwenopvang, en de Wmo-werkplaatsen (2009) die in verschillende gemeentes in Nederland opereren.

Professionalisering is natuurlijk niet louter een kwestie van theorieën, methodieken en evidence based handelen. De professional zal ook – en vooral – moeten beschikken over het vermogen om vanuit een persoonlijke benadering een gelijkwaardige relatie met de cliënt aan te gaan en in die relatie de juiste balans te houden tussen het professionele en het persoonlijke. Of, zoals de Utrechtse werkgroep professionalisering en cultuuromslag het formuleert: deskundig vanuit het hart.

Publicatiedatum: maart 2012,
laatste wijziging: 4 juni 2012.
Auteur: Jan Jumelet

Auteur(s): Jan Jumelet,
Verwante vensters
Verder studeren
  • Linde, Maarten van der (2010), Basisboek geschiedenis Sociaal Werk in Nederland. Amsterdam SWP, 4e druk, hoofdstuk 10.2, 10.6, 11.4 t/m 11.6)
  • PDF document Onbekend (2004), Handleiding 8-fasenmodel 
Literatuur
Links
Studieopdrachten Klik hier om de studieopdrachten te bekijken
eerste   vorige   homepage   volgende   laatste